Europa telt meer actieve AI-gebruikers dan de Verenigde Staten, heeft evenveel AI-talent en produceert jaarlijks ongeveer net zoveel nieuwe AI-startups. Toch speelt het continent nauwelijks een rol in het mondiale verhaal over kunstmatige intelligentie. Dat is de centrale paradox in het rapport State of AI in Europe: The Invisible Giant, dat Prosus en Dealroom.co vandaag publiceren op basis van wat zij omschrijven als de meest uitgebreide Europese AI-dataset ooit samengesteld.
De cijfers die het rapport presenteert zijn op het eerste gezicht indrukwekkend. AI-financiering bereikte in Europa in 2025 een record van 21,8 miljard dollar, een stijging van 58 procent in één jaar. Drie van de tien meest geciteerde AI-onderzoekers ter wereld zouden Europees zijn. En met 133 miljoen maandelijkse gebruikers van grote taalmodellen ligt het Europese gebruik volgens de onderzoekers bijna twee keer zo hoog als in de VS.
Maar wie verder leest, ziet het probleem dat Prosus en Dealroom schetsen. Vrijwel alle AI-modellen die Europese gebruikers dagelijks inzetten zijn ontwikkeld in de VS of China. Bijna driekwart van de investeerders achter Europa’s snelstgroeiende AI-bedrijven komt uit de VS. Europa bouwt de bedrijven; anderen worden er eigenaar van.
Drie structurele paradoxen
Het rapport benoemt drie patronen die volgens de auteurs samen verklaren waarom Europa’s sterke fundament zich niet vertaalt in mondiale invloed.
De eerste is de talentparadox. Europa zou ongeveer 325.000 AI-professionals tellen — evenveel als de VS. Maar 53 procent van dat talent werkt in traditionele sectoren zoals industrie en consultancy, tegenover 40 procent in Amerika. Bovendien behoren zes van Europa’s vijftien grootste AI-werkgevers tot Amerikaanse Big Tech-bedrijven. Europees talent werkt dus vaak voor niet-Europese bedrijven, en de kennis stroomt mee.
De tweede is de gebruiksparadox. Met 133 miljoen maandelijkse LLM-gebruikers is Europa qua schaal een wereldmacht, aldus het rapport. Maar omdat de onderliggende modellen elders zijn ontwikkeld, verbeteren Europese gebruikers feitelijk algoritmen die eigendom zijn van Amerikaanse of Chinese partijen. De modellen waarop bedrijven hun dienstverlening bouwen, de cloudinfrastructuur waarop alles draait, de tooling die dagelijks wordt ingezet: het is voor het overgrote deel niet-Europees eigendom. Elke prompt draagt bij aan de modellen van anderen.
De derde is de startupparadox. Europa creëert jaarlijks bijna net zoveel AI-startups als de VS, stellen de onderzoekers. Het probleem zit niet in de oprichting, maar in de groei. Tegen de tijd dat een Europese AI-startup een late financieringsfase bereikt, is 73 procent van de belangrijkste investeerders Amerikaans. Europa incubeert; de VS oogst.
Waar Europa kan winnen
Het rapport blijft niet bij de diagnose. De auteurs wijzen op drie domeinen waar Europa volgens hen een reële kans heeft: open-source AI-modellen, verticale toepassingen voor specifieke sectoren, en de opkomende categorie van zogeheten ‘world models’. Juist in verticale toepassingen — zorg, logistiek, productie, financiële dienstverlening — wegen lokale kennis, taalbeheersing en sectorexpertise zwaarder dan rekenkracht alleen. Daarvoor zijn drie stappen cruciaal, aldus de onderzoekers: meer groeikapitaal mobiliseren, interne Europese barrières verminderen en ondernemers een regelgevend klimaat bieden waarin ze daadwerkelijk kunnen opschalen.
Prosus zet zijn geld op Europa
De cijfers moeten wel met het nodige voorbehoud worden bekeken, want er is een duidelijk belang voor Prosus zelf. De in Amsterdam genoteerde technologie-investeringsgroep heeft eerder aangekondigd meer dan tien miljard dollar in Europese tech te willen investeren, een wereldwijd AI-laboratorium in Amsterdam te willen bouwen en te willen bijdragen aan een Europees ecosysteemspeler van meer dan honderd miljard dollar.


